Lange Mare 110: van 1780 tot 1901
Dit is het vervolg op de pagina Lange Mare 110: de tijd tot 1780.
Dermout, De Sanger, Hess en Meerburg
In de jaren voor 1780 was het huis steeds lange tijd in eenzelfde familie gebleven. In de tijd daarna werd het een paar keer relatief snel doorverkocht nadat de eigenaar was overleden.
Anthony le Clercq, die het huis in 1780 had gekocht van Gilles le Cler junior, overleed in 1786. In 1787 verkocht zijn zoon Cornelis le Clercq het pand aan Anthoine Dermout. Er was nu sprake van drie huisjes achter het grote huis.
Dermout overleed in 1789. Zijn weduwe Sara Alida de Hennion verkocht het pand en de drie huisjes in 1790 aan Jan de Sanger Fz.
Ook Jan de Sanger overleed vrij kort na de aankoop van het huis. Zijn weduwe Maria Cornelia Mestrop verkocht in augustus 1796 het pand, waar nu naar het lijkt nog één huisje bij hoorde aan Andreas Hess, die kaarsenmaker was en afkomstig was uit Gouda. Bij de verkoop waren alle vaste en losse gereedschappen voor een kaarsenmakerij inbegrepen. Daaruit mag worden afgeleid dat zijn voorganger De Sanger ook al kaarsenmaker was geweest. Enkele weken na de aankoop van het pand werd Hess ingeschreven als poorter van Leiden.
Zijn vrouw Sara Veenstra, met wie hij kort daarvoor getrouwd was, overleed echter in 1797, en in diezelfde jaren moet ook Hess overleden zijn. Het huis werd in 1800 door de notaris Pierre Benezet uit de nagelaten boedel verkocht, waarschijnlijk omdat er meer schulden dan bezittingen waren.
De koper was Pieter Meerburg Sz. Ook bij hem was er geen geluk in de familie. Zijn eerste vrouw overleed in 1802. Daarna trouwde hij opnieuw, maar hij overleed in 1806. Uit beide huwelijken had hij jonge kinderen. Notaris Benezet moest er opnieuw aan te pas komen om het huis te verkopen om de schuldeisers nog enigszins tegemoet te kunnen komen.
Weer een openbare verkoping
De 29-jarige schoenmaker Johannes Sierat kocht het huis in 1807 van de notaris. Hij vestigde daar zijn schoenmakerij. Twee jaar later trouwde hij met de toen 25-jarige Clara Tanna Tasseron. Ze kregen drie kinderen.
Al snel ging het heel slecht met Sierat. Wat er precies aan de hand was, is (nog) niet duidelijk. Begin 1813 werd hij door de rechtbank onder curatele gesteld en kwam hij zelfs in verzekerde bewaring. Zijn vrouw Clara Tasseron werd benoemd tot voogd en een familielid tot toeziend voogd. Clara probeerde de schoenmakerij zo goed mogelijk door te laten draaien met behulp van knechten.
In april 1818 vroeg zij de rechtbank toestemming om het huis aan de Mare en acht kleinere huizen in omliggende straten die op naam van haar en haar man stonden te mogen laten verkopen. Ze schreef dat ze had gehoopt dat het beter met haar man zou gaan, maar dat steeds duidelijker werd dat hij in verzekerde bewaring moest blijven. De schoenmakerij leverde te weinig inkomsten op voor haar en haar kinderen, te meer omdat ze de zaken door haar eigen ziekelijke toestand niet goed na kon gaan. Het huis was te groot voor haar en haar gezin en kostte veel aan stedelijke en landelijke belastingen. De kleinere huizen kostten ook veel geld aan reparaties en lasten. Ze werden bij de week door haar verhuurd, gewoonlijk aan ‘armoedige of onvermogende lieden’. Het ophalen van de huur lukte haar daar vaak niet. Dat moest ze dan aan een van haar knechten toevertrouwen.
De rechtbank gaf de gevraagde toestemming. De verkoop vond plaats in juli 1818. In de advertentie hieronder wordt het huis aan de Mare als tweede genoemd.
In de (veel uitgebreidere) veilingakte werd het huis omschreven als “Een ruim, hecht, sterk en zeer weldoortimmerd Huis en Erve, voorzien van verscheidene zoo behangen als onbehangen kamers en vertrekken, kookkeuken, plaats, ruime zolders en verdere commoditeiten, waarachter een groot werkhuis, zeer geschikt voor allerhande Fabrieken, staande en gelegen aan de Oostzijde van de Mare, aan den hoek van de Marendorpsche achtergracht en hebbende een vrije uitgang door zekere poort, uitkomende in de Klaresteeg”.
Het huis werd bij de veiling via een tussenpersoon voor 2500 gulden gekocht door de 22-jarige Franciscus Jacobus van Osta, die op de Koepoortsgracht woonde. Hij werd aangeduid als winkelier. Het is niet bekend in welke waren hij handelde, maar aangezien zijn vader op de Koepoortsgracht een tabakswinkel had, lijkt het waarschijnlijk dat hij dat ook voor ogen had. Hij ging zelf op de Mare wonen.
Gerrit en Johannes van de Laar
Negen jaar later, in 1827, verkocht Van Osta het huis. De zaken gingen misschien niet zo goed; hij ging terug naar het ouderlijk huis op de Koepoortsgracht. Hij overleed daar in 1835, nog maar 39 jaar oud.
De koper was de 26-jarige Gerrit Jacob van de Laar. Hij kende het huis van dichtbij omdat hij met zijn vader Pieter Marinus van de Laar en twee broers twee huizen verderop woonde, in het huidige Lange Mare 106. Iets naar achteren grensden die huizen aan elkaar. Van de Laar junior en senior werden in diverse akten aangeduid als koopman of winkelier. Ze handelden onder andere in koffie en thee.
De koopprijs was deze keer 3000 gulden. Een bijzondere bepaling in het koopcontract was dat het uithangbord aan de voorgevel bij de koop was inbegrepen. Het is helaas niet bekend hoe dat bord er uitzag.
In 1833 verkocht Gerrit Jacob het huis door aan zijn zeven jaar jongere halfbroer Johannes Antonius van de Laar, die geboren was in 1807. De laatstgenoemde woonde inmiddels al in het huidige Lange Mare 110 en werd aangeduid als “apothecar”. Gerrit Jacob was inmiddels terugverhuisd naar nummer 106.
Als aanhangsel was bij het koopcontract een door de vader van de broers eigenhandig geschreven ondershandse akte gevoegd. Daarin waren met veel onderstrepingen allerlei bepalingen vastgelegd over de lichtkozijnen en de regenwaterafvoer op de grens van de twee huizen.
De koopprijs was deze keer 3300 gulden.
De kadastrale gegevens uit 1832
Hierboven staat een uitsnede van een van de kadastrale kaarten uit 1832, het begin van de officiële registratie. Te zien is het stadsgedeelte tussen de Mare, de Marendorpse Achtergracht, de Janvossensteeg en de Clarensteeg.
Op de hoek van de Mare en de Achtergracht is het huidige Lange Mare 110 te zien. Het perceel had het kadastrale nummer 1017. Het tweede perceel daarboven had het nummer 1020. Dat is de plaats van het huidige Lange Mare 106. Te zien is dat de nummers 110 en 106 voor een deel aan elkaar grensden. Dat is nog steeds het geval. De twee panden hebben steeds een bijzondere relatie met elkaar gehad. Dat was al zo in 1561 toen Symon Heerman eigenaar van beide panden was.
Vlakbij het huis lag een kleine brug over de Achtergracht. Die brug wordt op de kaart ‘Schuilenbruggetje’ genoemd. Het ontleende zijn naam ongetwijfeld aan de familie Schuijl die het pand van 1652 tot 1721 in bezit had.
Op het kaartje is in het midden van het bouwblok de toen nog heel smalle Olieslagerspoort tussen de Achtergracht en de Clarensteeg te zien.
Volgens de bijbehorende ‘Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels’ was Gerrit Jacob van de Laar in 1832 de eigenaar van perceel 1017 en zijn vader Pieter Marinus van de Laar van perceel 1020. Dat klopt met de informatie in het stukje hierboven.
Drie apothekers J.A. van de Laar
Na de hiervoor genoemde Johannes Antonius van de Laar hebben ook zijn gelijknamige zoon en kleinzoon als apotheker gewerkt in het huidige Lange Mare 110.
Johannes I trouwde in 1831 in Dordrecht met de Dordtse Johanna Husen. Hij was toen net 24 en werd in de trouwakte al als apotheker aangeduid. Dat was dus voordat hij eigenaar werd van het hoekpand. Over zijn opleiding is niets bekend. In de eerste helft van de negentiende eeuw waren er nog geen wettelijke opleidingseisen voor apothekers.
Johannes en zijn vrouw kregen zes kinderen, van wie er twee jong overleden. De enige zoon, die net als zijn vader Johannes Antonius werd genoemd, werd in 1841 geboren. Hij was misschien toen al voorbestemd om later de apotheek over te nemen. In 1864 verscheen een advertentie in de Leydse Courant waarin bevestigd werd dat Johannes II ook apotheker werd:
Johannes I overleed in 1872. Volgens het overlijdensregister woonde hij toen in een huis aan de ‘Gedemptegracht’. Er werden destijds verschillende straten aangeduid met die naam. Misschien werd bedoeld dat hij in het achterhuis van Lange Mare 110 woonde, met een deur aan de in 1861 gedempte Marendorpse Achtergracht.
Johannes II trouwde in 1864 met de Leidse Helena Geertruida van Moerkerken. Ze kregen zeven kinderen, van wie er drie jong overleden. De oudste zoon kreeg opnieuw de namen Johannes Antonius.
Johannes II overleed in 1892, nog maar 51 jaar oud. Het huis aan de Lange Mare kwam eerst in afwachting van de verdeling van de nalatenschap op naam te staan van zijn weduwe en werd later toebedeeld aan zijn oudste zoon, Johannes III.
Johannes III, die pas op hoge leeftijd trouwde toen hij niet meer in Leiden woonde, nam na het overlijden van zijn vader de leiding van de apotheek over.
In 1901 verkocht hij het pand en het recht over om er een apothekerspraktijk uit te oefenen aan de uit Leeuwarden afkomstige apotheker Dirk Jan van Driesum.


