Lange Mare 110: de tijd tot 1780
Het pand Lange Mare 110 heeft een lange geschiedenis. Het voorhuis stamt uit 1621. Het is toen gebouwd op de plaats van een eerder bouwdeel. Het deel daarachter (het huidige tussenhuis) is ouder en stamt vermoedelijk uit de zestiende eeuw.
Vleeshouwers
Een van de eerste eigenaren van wie de naam bekend is, was een zekere Symon Heerman of Herremansz. Hij was vleeshouwer van beroep en werd voor het eerst vermeld in 1541. Zijn naam is ook te lezen op de afbeelding hieronder die afkomstig is uit het ‘maanboekje’ waarmee een bode van het Heilige Geest-weeshuis in 1578 op pad ging. In zo’n boekje stonden de namen van de eigenaren van panden waar een jaarlijkse rente ten behoeve van het weeshuis op drukte. In het geval van het huidige Lange Mare 110 was de jaarrente 15 stuivers.
Hierboven staat in een net handschrift: ‘Symon Heerman vleyschhouders huys dat Pieter Jacobsz was ende van Aelwijn Cornelisz quam’. Dat wijst erop dat Pieter Jacobsz en Aelwijn Cornelisz eerdere eigenaren van het pand moeten zijn geweest. De naam van Symon Heerman is doorgestreept en daarboven heeft iemand anders, vermoedelijk de bode, de naam van Dirck Cornelisz geschreven. Dirck zal dus in de tijd voor 1578 Symon als eigenaar zijn opgevolgd.
Er zijn aanwijzingen dat deze Dirck Cornelisz, die ook vleeshouwer was en vaak werd aangeduid met de achternaam Vet, maar soms ook met Heerman of Heermael, een kleinzoon van Symon was via diens zoon Cormelis Symonsz Heerman. Het lijkt een tamelijk welgestelde familie te zijn geweest. Symon en later Cornelis Heerman waren ook eigenaar van een vlakbij gelegen pand, het huidige Lange Mare 106. Ook daar hadden ze een vleeshouwerij.
Het Grachtenboek
De afbeelding hierboven is een detail uit het Grachtenboek dat Van Dulmanhorst rond 1585 in opdracht van het stadbestuur heeft gemaakt. Het zuiden is boven, het noorden onder. Rechts is de kade langs de (Lange) Mare te zien met een heel smal stukje van het water, links ligt de Janvossensteeg. Het water dat van links naar rechts loopt is de voormalige Marendorpse Achtergracht. Die is in de negentiende eeuw gedempt en heet nu Van der Werfstraat.
De tekening is geen echte plattegrond. Het voornaamste doel van het Grachtenboek was vast te leggen wie de eigenaren waren van de percelen aan de grachten. Zij waren namelijk verplicht om de beschoeiing aan de waterkant in goede staat te houden en zo nodig te herstellen. Daarom was de breedte van de panden in dit verband wel van belang, maar de diepte niet. Die diepte werd daarom niet vastgelegd. Aan de lengte van de verticale perceelsgrenzen kunnen dus geen conclusies worden verbonden.
Het perceel rechtsonder met een breedte van 6 roeden, 7 voeten en 6 duimen (bijna 25 meter) was de locatie van het huidige Lange Mare 110. Het pand moet zijn voorgevel aan de Mare hebben gehad. Zoals hieronder blijkt was het aan die kant veel minder breed dan de afbeelding suggereert. De genoemde breedte van bijna 25 meter komt globaal overeen met de diepte van het voorhuis, het tussenhuis en het achterhuis van het huidige Lange Mare 110 langs de Van der Werfstraat.
Op de afbeelding staat onder de breedte van het perceel de naam van de eigenaar: de hiervoor genoemde vleeshouwer Dirck Cornelisz.
Een kaart uit 1603
Hieronder staat een uitsnede uit een kaart die de landmeter Jan Pietersz. Dou in 1603 maakte. Deze keer is het noorden links. Ook hier wordt de naam van Dirck Cornelisz. genoemd als eigenaar van het pand aan de Mare ten noorden van de Achtergracht. De breedte was 1 roede, 3 voeten en 6 duimen (4,87 meter). Diezelfde breedte wordt ook genoemd in het Oud-Belastingboek uit 1601. Dat komt overeen met de breedte van Lange Mare 110.
In 1604 overleed Dirck Cornelisz. Vet. Volgens de aanslagen van het schoorsteengeld in 1606 was zijn weduwe toen eigenaar van het pand.
De tekening van Pieter Bast
In 1600 maakte de graveur Pieter Bast een vogelvluchtplattegrond van de stad. Niet alle details van de afgebeelde huizen zijn exact weergegeven, maar de tekening geeft een goede indruk van hoe Lange Mare 110 (zie het midden van de groene ellips) er in 1600 moet hebben uitgezien. Volgens de tekening was het tussenhuis hoger dan het voorhuis.
Van Vesanevelt en zijn vergunning
In 1611 verkocht de weduwe van Dirck Cornelisz. Vet het pand aan Pieter Andriesz. van Vesanevelt. Die gebruikte het niet langer als vleeshouwerij. Achter het pand lag nog een kleinere ‘huysinghe’, waarschijnlijk grotendeels op de plaats van de huidige tuin en het kleine stenen achterhuis. Het beschikte over ‘een gange ende poorte tot in de St. Niclaessstege’, de huidige Clarensteeg.
Die doorgang lag op de plaats van de huidige Olieslagerspoort, maar was veel smaller, waarschijnlijk maar een meter breed. De naam van de Olieslagerspoort verwijst naar het feit dat Van Vesanevelt in het achterste deel van zijn pand een oliemolen had. Dat was een molen waar olie uit zaden werd geperst en die aangedreven werd door een rondlopend paard.
Van Vesanevelt was in latere jaren lid van de vroedschap van Leiden, en hij was ook namens de stad gecommitteerde bij de rekenkamer van Holland en namens de staten van Holland bestuurder van de Admiraliteit van Amsterdam.
In 1621 wilde Van Vesanevelt het voorste deel van zijn huis opnieuw opbouwen. Omdat de oude muur aan de Achtergracht nogal overhelde vroeg hij het stadsbestuur om de situatie te komen bekijken en de rooilijn vast te stellen. Het stadsbestuur kwam inderdaad langs met een paar ambtenaren. Toen ze terug waren in het raadhuis werd besloten dat de rooilijn zou lopen vanaf een steen aan de noordkant van het bruggetje over de Achtergracht ’tot achter aen de camer die laest nyeut es gebout’. Daarmee werd waarschijnlijk het huidige tussenhuis van Lange Mare 110 bedoeld. De conclusie is dat het voorhuis uit 1621 stamt en dat het tussenhuis ouder is.
Pijlsteecker, Schuijl en De Clercq
Van Vesanevelt verkocht in 1642 het pand met het kleinere achterhuis en de poort naar de Clarensteeg aan Dirck Willemsz. Pijlsteecker. De oliemolen en alle gereedschappen die erbij hoorden waren weer bij de verkoop inbegrepen.
Dick Witteveld vond in de muur van het kleine achterhuis een oude gevelsteen. Bij het schoonmaken van de steen werden het jaartal 1651 en twee gekruiste pijlen zichtbaar. De steen is ongetwijfeld afkomstig van de toenmalige eigenaar Pijlsteecker. Hij is nu ingemetseld boven de poort van de binnenplaats.
In 1652 verkocht Pijlsteecker het pand aan Harmen Schuijl. Hij was op dat moment veertigraad: lid van de vroedschap die in Leiden uit veertig leden bestond. Schuijl was ook een aantal jaren burgemeester van Leiden. De omschrijving van het pand bleef ongeveer hetzelfde, en ook nu werd de oliemolen genoemd.
Het pand bleef bijna 70 jaar in het bezit van de familie Schuijl. In 1721 trad Christiaan Vaillant op als verkoper. Hij was een schoonzoon van een inmiddels overleden dochter van Harmen Schuijl en had een machtiging van diens andere dochter.
De koper was Gilles de Clercq. Bij de omschrijving van het pand stond nu ‘uijtkomende agter in de Janvossensteegh’. Dat was waarschijnlijk een vergissing: zowel eerdere als latere stukken hebben het over een doorgang naar de Clarensteeg, en een verbinding met de Janvossensteeg is ruimtelijk gezien moeilijk voorstelbaar. De oliemolen werd deze keer niet meer genoemd.
Na het overlijden van De Clercq, die ook wel De Cler, Le Cler of Le Clercq werd genoemd, schonk zijn weduwe Margareta Cuclair het pand in 1745 aan haar zoon Gilles le Cler junior. Die verkocht het in 1780 aan Anthony le Clercq, waarschijnlijk een familielid. Bij het grote huis hoorden nu twee huizen en erven aan de achterkant. Uit de verdere omschrijving valt op te maken dat er in het voorhuis een kousenwinkel was en waarschijnlijk daarachter een wolkammerij.




