Stichting Diogenes Leiden

Restaureren van monumenten in Leiden

Lange Mare 110 in het verleden

Laurens Beijen

 

Het pand Lange Mare 110 heeft een lange geschiedenis. Het voorhuis stamt uit 1621. Het is toen gebouwd op de plaats van een eerder bouwdeel. Het deel daarachter (het huidige tussenhuis) is ouder en stamt vermoedelijk uit de zestiende eeuw.

Op deze pagina wordt verteld over de eigenaren van het pand van die tijd tot in de twintigste eeuw.

 

Vleeshouwers

 

Een van de eerste eigenaren van wie de naam bekend is, was een zekere Symon Heerman of Herremansz. Hij was vleeshouwer van beroep en werd voor het eerst vermeld in 1541. Zijn naam is ook te lezen op de afbeelding hieronder die afkomstig is uit het ‘maanboekje’ waarmee een bode van het Heilige Geest-weeshuis in 1578 op pad ging. In zo’n boekje stonden de namen van de eigenaren van panden waar een jaarlijkse rente ten behoeve van het weeshuis op drukte. In het geval van het huidige Lange Mare 110 was de jaarrente 15 stuivers.

 

 

Hierboven staat in een net handschrift: ‘Symon Heerman vleyschhouders huys dat Pieter Jacobsz was ende van Aelwijn Cornelisz quam’. Dat wijst erop dat Pieter Jacobsz en Aelwijn Cornelisz eerdere eigenaren van het pand moeten zijn geweest. De naam van Symon Heerman is doorgestreept en daarboven heeft iemand anders, vermoedelijk de bode, de naam van Dirck Cornelisz geschreven. Dirck zal dus in de tijd voor 1578 Symon als eigenaar zijn opgevolgd.

Er zijn aanwijzingen dat deze Dirck Cornelisz, die ook vleeshouwer was en vaak werd aangeduid met de achternaam Vet, maar soms ook met Heerman of Heermael, een kleinzoon van Symon was via diens zoon Cormelis Symonsz Heerman. Het lijkt een tamelijk welgestelde familie te zijn geweest. Symon en later Cornelis Heerman waren ook eigenaar van een vlakbij gelegen pand, het huidige Lange Mare 106. Ook daar hadden ze een vleeshouwerij.

 

Het Grachtenboek

 

 

De afbeelding hierboven is een detail uit het Grachtenboek dat Van Dulmanhorst rond 1585 in opdracht van het stadbestuur heeft gemaakt. Het zuiden is boven, het noorden onder. Rechts is de kade langs de (Lange) Mare te zien met een heel smal stukje van het water, links ligt de Janvossensteeg. Het water dat van links naar rechts loopt is de voormalige Marendorpse Achtergracht. Die is in de negentiende eeuw gedempt en heet nu Van der Werfstraat.

De tekening is geen echte plattegrond. Het voornaamste doel van het Grachtenboek was vast te leggen wie de eigenaren waren van de percelen aan de grachten. Zij waren namelijk verplicht om de beschoeiing aan de waterkant in goede staat te houden en zo nodig te herstellen. Daarom was de breedte van de panden in dit verband wel van belang, maar de diepte niet. Die diepte werd daarom niet vastgelegd. Aan de lengte van de verticale perceelsgrenzen kunnen dus geen conclusies worden verbonden.

 

Het perceel rechtsonder met een breedte van 6 roeden, 7 voeten en 6 duimen (bijna 25 meter) was de locatie van het huidige Lange Mare 110. Het pand moet zijn voorgevel aan de Mare hebben gehad. Zoals hieronder blijkt was het aan die kant veel minder breed dan de afbeelding suggereert. De genoemde breedte van bijna 25 meter komt globaal overeen met de diepte van het voorhuis, het tussenhuis en het achterhuis van het huidige Lange Mare 110 langs de Van der Werfstraat.

Op de afbeelding staat onder de breedte van het perceel de naam van de eigenaar: de hiervoor genoemde vleeshouwer Dirck Cornelisz.

 

Een kaart uit 1603

 

Hieronder staat een uitsnede uit een kaart die de landmeter Jan Pietersz. Dou in 1603 maakte. Deze keer is het noorden links. Ook hier wordt de naam van Dirck Cornelisz. genoemd als eigenaar van het pand aan de Mare ten noorden van de Achtergracht. De breedte was 1 roede, 3 voeten en 6 duimen (4,87 meter). Diezelfde breedte wordt ook genoemd in het Oud-Belastingboek uit 1601. Dat komt overeen met de breedte van Lange Mare 110.

 

 

In 1604 overleed Dirck Cornelisz. Vet. Volgens de aanslagen van het schoorsteengeld in 1606 was zijn weduwe toen eigenaar van het pand.

 

De tekening van Pieter Bast

 

In 1600 maakte de graveur Pieter Bast een vogelvluchtplattegrond van de stad. Niet alle details van de afgebeelde huizen zijn exact weergegeven, maar de tekening geeft een goede indruk van hoe Lange Mare 110 (zie het midden van de groene ellips) er in 1600 moet hebben uitgezien. Volgens de tekening was het tussenhuis hoger dan het voorhuis.

 

 

Van Vesanevelt en zijn vergunning

 

In 1611 verkocht de weduwe van Dirck Cornelisz. Vet het pand aan Pieter Andriesz. van Vesanevelt. Die gebruikte het niet langer als vleeshouwerij. Achter het pand lag nog een kleinere ‘huysinghe’, waarschijnlijk grotendeels op de plaats van de huidige tuin en het kleine stenen achterhuis. Het beschikte over ‘een gange ende poorte tot in de St. Niclaessstege’, de huidige Clarensteeg.

Die doorgang lag op de plaats van de huidige Olieslagerspoort, maar was veel smaller, waarschijnlijk maar een meter breed. De naam van de Olieslagerspoort verwijst naar het feit dat Van Vesanevelt in het achterste deel van zijn pand een oliemolen had. Dat was een molen waar olie uit zaden werd geperst en die aangedreven werd door een rondlopend paard.

Van Vesanevelt was in latere jaren lid van de vroedschap van Leiden, en hij was ook namens de stad gecommitteerde bij de rekenkamer van Holland en namens de staten van Holland bestuurder van de Admiraliteit van Amsterdam.

 

In 1621 wilde Van Vesanevelt het voorste deel van zijn huis opnieuw opbouwen. Omdat de oude muur aan de Achtergracht nogal overhelde vroeg hij het stadsbestuur om de situatie te komen bekijken en de rooilijn vast te stellen. Het stadsbestuur kwam inderdaad langs met een paar ambtenaren. Toen ze terug waren in het raadhuis werd besloten dat de rooilijn zou lopen vanaf een steen aan de noordkant van het bruggetje over de Achtergracht ’tot achter aen de camer die laest nyeut es gebout’. Daarmee werd waarschijnlijk het huidige tussenhuis van Lange Mare 110 bedoeld. De conclusie is dat het voorhuis uit 1621 stamt en dat het tussenhuis ouder is.

 

Pijlsteecker, Schuijl en De Clercq

 

Van Vesanevelt verkocht in 1642 het pand met het kleinere achterhuis en de poort naar de Clarensteeg aan Dirck Willemsz. Pijlsteecker. De oliemolen en alle gereedschappen die erbij hoorden waren weer bij de verkoop inbegrepen.

 

 

Dick Witteveld vond in de muur van het kleine achterhuis een oude gevelsteen. Bij het schoonmaken van de steen werden het jaartal 1651 en twee gekruiste pijlen zichtbaar. De steen is ongetwijfeld afkomstig van de toenmalige eigenaar Pijlsteecker. Hij is nu ingemetseld boven de poort van de binnenplaats.

 

In 1652 verkocht Pijlsteecker het pand aan Harmen Schuijl. Hij was op dat moment veertigraad: lid van de vroedschap die in Leiden uit veertig leden bestond. Schuijl was ook een aantal jaren burgemeester van Leiden. De omschrijving van het pand bleef ongeveer hetzelfde, en ook nu werd de oliemolen genoemd.

 

Het pand bleef bijna 70 jaar in het bezit van de familie Schuijl. In 1721 trad Christiaan Vaillant op als verkoper. Hij was een schoonzoon van een inmiddels overleden dochter van Harmen Schuijl en had een machtiging van diens andere dochter.

De koper was Gilles de Clercq. Bij de omschrijving van het pand stond nu ‘uijtkomende agter in de Janvossensteegh’. Dat was waarschijnlijk een vergissing: zowel eerdere als latere stukken hebben het over een doorgang naar de Clarensteeg, en een verbinding met de Janvossensteeg is ruimtelijk gezien moeilijk voorstelbaar. De oliemolen werd deze keer niet meer genoemd.

 

Na het overlijden van De Clercq, die ook wel De Cler, Le Cler of Le Clercq werd genoemd, schonk zijn weduwe Margareta Cuclair het pand in 1745 aan haar zoon Gilles le Cler junior. Die verkocht het in 1780 aan Anthony le Clercq, waarschijnlijk een familielid. Bij het grote huis hoorden nu twee huizen en erven aan de achterkant. Uit de verdere omschrijving valt op te maken dat er in het voorhuis een kousenwinkel was en waarschijnlijk daarachter een wolkammerij.

 

Dermout, De Sanger, Hess en Meerburg

 

In de jaren voor 1780 was het huis steeds lange tijd in eenzelfde familie gebleven. In de tijd daarna werd het een paar keer relatief snel doorverkocht nadat de eigenaar was overleden.

 

Anthony le Clercq overleed in 1786. In 1787 verkocht zijn zoon Cornelis le Clercq het pand aan Anthoine Dermout. Er was nu sprake van drie huisjes achter het grote huis.

Dermout overleed in 1789. Zijn weduwe Sara Alida de Hennion verkocht het pand en de drie huisjes in 1790 aan Jan de Sanger Fz.

Ook Jan de Sanger overleed vrij kort na de aankoop van het huis. Zijn weduwe Maria Cornelia Mestrop verkocht in augustus 1796 het pand, waar nu naar het lijkt nog één huisje bij hoorde aan Andreas Hess, die kaarsenmaker was en afkomstig was uit Gouda. Bij de verkoop waren alle vaste en losse gereedschappen voor een kaarsenmakerij inbegrepen. Daaruit mag worden afgeleid dat zijn voorganger De Sanger ook al kaarsenmaker was geweest. Enkele weken na de aankoop van het pand werd Hess ingeschreven als poorter van Leiden.

Zijn vrouw Sara Veenstra, met wie hij kort daarvoor getrouwd was, overleed echter in 1797, en in diezelfde jaren moet ook Hess overleden zijn. Het huis werd in 1800 door de notaris Pierre Benezet uit de nagelaten boedel verkocht, waarschijnlijk omdat er meer schulden dan bezittingen waren.

De koper was Pieter Meerburg Sz. Ook bij hem was er geen geluk in de familie. Zijn eerste vrouw overleed in 1802. Daarna trouwde hij opnieuw, maar hij overleed in 1806. Uit beide huwelijken had hij jonge kinderen. Notaris Benezet moest er opnieuw aan te pas komen om het huis te verkopen om de schuldeisers nog enigszins tegemoet te kunnen komen.

 

Weer een openbare verkoping

 

De 29-jarige schoenmaker Johannes Sierat kocht het huis in 1807 van de notaris. Hij vestigde daar zijn schoenmakerij. Twee jaar later trouwde hij met de toen 25-jarige Clara Tanna Tasseron. Ze kregen drie kinderen.

Al snel ging het heel slecht met Sierat. Wat er precies aan de hand was, is (nog) niet duidelijk. Begin 1813 werd hij door de rechtbank onder curatele gesteld en kwam hij zelfs in verzekerde bewaring. Zijn vrouw Clara Tasseron werd benoemd tot voogd en een familielid tot toeziend voogd. Clara probeerde de schoenmakerij zo goed mogelijk door te laten draaien met behulp van knechten.

 

In april 1818 vroeg zij de rechtbank toestemming om het huis aan de Mare en acht kleinere huizen in omliggende straten die op naam van haar en haar man stonden te mogen laten verkopen. Ze schreef dat ze had gehoopt dat het beter met haar man zou gaan, maar dat steeds duidelijker werd dat hij in verzekerde bewaring moest blijven. De schoenmakerij leverde te weinig inkomsten op voor haar en haar kinderen, te meer omdat ze de zaken door haar eigen ziekelijke toestand niet goed na kon gaan. Het huis was te groot voor haar en haar gezin en kostte veel aan stedelijke en landelijke belastingen. De kleinere huizen kostten ook veel geld aan reparaties en lasten. Ze werden bij de week door haar verhuurd, gewoonlijk aan ‘armoedige of onvermogende lieden’. Het ophalen van de huur lukte haar daar vaak niet. Dat moest ze dan aan een van haar knechten toevertrouwen.

 

De rechtbank gaf de gevraagde toestemming. De verkoop vond plaats in juli 1818. In de advertentie hieronder wordt het huis aan de Mare als tweede genoemd.

 

 

In de (veel uitgebreidere) veilingakte werd het huis omschreven als “Een ruim, hecht, sterk en zeer weldoortimmerd Huis en Erve, voorzien van verscheidene zoo behangen als onbehangen kamers en vertrekken, kookkeuken, plaats, ruime zolders en verdere commoditeiten, waarachter een groot werkhuis, zeer geschikt voor allerhande Fabrieken, staande en gelegen aan de Oostzijde van de Mare, aan den hoek van de Marendorpsche achtergracht en hebbende een vrije uitgang door zekere poort, uitkomende in de Klaresteeg”.

 

Het huis werd bij de veiling via een tussenpersoon voor 2500 gulden gekocht door de 22-jarige Franciscus Jacobus van Osta, die op de Koepoortsgracht woonde. Hij werd aangeduid als winkelier. Het is niet bekend in welke waren hij handelde, maar aangezien zijn vader op de Koepoortsgracht een tabakswinkel had, lijkt het waarschijnlijk dat hij dat ook voor ogen had. Hij ging zelf op de Mare wonen.

 

Gerrit en Johannes van de Laar

 

Negen jaar later, in 1827, verkocht Van Osta het huis. De zaken gingen misschien niet zo goed; hij ging terug naar het ouderlijk huis op de Koepoortsgracht. Hij overleed daar in 1835, nog maar 39 jaar oud.

De koper was de 26-jarige Gerrit Jacob van de Laar. Hij kende het huis van dichtbij omdat hij met zijn vader Pieter Marinus van de Laar en twee broers twee huizen verderop woonde, in het huidige Lange Mare 106. Iets naar achteren grensden die huizen aan elkaar. Van de Laar junior en senior werden in diverse akten aangeduid als koopman of winkelier. Ze handelden onder andere in koffie en thee.

De koopprijs was deze keer 3000 gulden. Een bijzondere bepaling in het koopcontract was dat het uithangbord aan de voorgevel bij de koop was inbegrepen. Het is helaas niet bekend hoe dat bord er uitzag.

 

In 1833 verkocht Gerrit Jacob het huis door aan zijn zeven jaar jongere halfbroer Johannes Antonius van de Laar, die geboren was in 1807. De laatstgenoemde woonde inmiddels al in het huidige Lange Mare 110 en werd aangeduid als “apothecar”. Gerrit Jacob was inmiddels terugverhuisd naar nummer 106.

Als aanhangsel was bij het koopcontract een door de vader van de broers eigenhandig geschreven ondershandse akte gevoegd. Daarin waren met veel onderstrepingen allerlei bepalingen vastgelegd over de lichtkozijnen en de regenwaterafvoer op de grens van de twee huizen.

De koopprijs was deze keer 3300 gulden.

 

De kadastrale gegevens uit 1832

 

 

Hierboven staat een uitsnede van een van de kadastrale kaarten uit 1832, het begin van de officiële registratie. Te zien is het stadsgedeelte tussen de Mare, de Marendorpse Achtergracht, de Janvossensteeg en de Clarensteeg.

Op de hoek van de Mare en de Achtergracht is het huidige Lange Mare 110 te zien. Het perceel had het kadastrale nummer 1017. Het tweede perceel daarboven had het nummer 1020. Dat is de plaats van het huidige Lange Mare 106. Te zien is dat de nummers 110 en 106 voor een deel aan elkaar grensden. Dat is nog steeds het geval. De twee panden hebben steeds een bijzondere relatie met elkaar gehad. Dat was al zo in 1561 toen Symon Heerman eigenaar van beide panden was.

 

Vlakbij het huis lag een kleine brug over de Achtergracht. Die brug wordt op de kaart ‘Schuilenbruggetje’ genoemd. Het ontleende zijn naam ongetwijfeld aan de familie Schuijl die het pand van 1652 tot 1721 in bezit had.

Op het kaartje is in het midden van het bouwblok de toen nog heel smalle Olieslagerspoort tussen de Achtergracht en de Clarensteeg te zien.

 

Volgens de bijbehorende ‘Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels’ was Gerrit Jacob van de Laar in 1832 de eigenaar van perceel 1017 en zijn vader Pieter Marinus van de Laar van perceel 1020. Dat klopt met de informatie in het stukje hierboven.

 

Drie apothekers J.A. van de Laar

 

Na de hiervoor genoemde Johannes Antonius van de Laar hebben ook zijn gelijknamige zoon en kleinzoon als apotheker gewerkt in het huidige Lange Mare 110.

 

Johannes I trouwde in 1831 in Dordrecht met de Dordtse Johanna Husen. Hij was toen net 24 en werd in de trouwakte al als apotheker aangeduid. Dat was dus voordat hij eigenaar werd van het hoekpand. Over zijn opleiding is niets bekend. In de eerste helft van de negentiende eeuw waren er nog geen wettelijke opleidingseisen voor apothekers.

 

Johannes en zijn vrouw kregen zes kinderen, van wie er twee jong overleden. De enige zoon, die net als zijn vader Johannes Antonius werd genoemd, werd in 1841 geboren. Hij was misschien toen al voorbestemd om later de apotheek over te nemen. In 1864 verscheen een advertentie in de Leydse Courant waarin bevestigd werd dat Johannes II ook apotheker werd:

 

 

Johannes I overleed in 1872. Volgens het overlijdensregister woonde hij toen in een huis aan de ‘Gedemptegracht’. Er werden destijds verschillende straten aangeduid met die naam. Misschien werd bedoeld dat hij in het achterhuis van Lange Mare 110 woonde, met een deur aan de in 1861 gedempte Marendorpse Achtergracht.

 

Johannes II trouwde in 1864 met de Leidse Helena Geertruida van Moerkerken. Ze kregen zeven kinderen, van wie er drie jong overleden. De oudste zoon kreeg opnieuw de namen Johannes Antonius.

Johannes II overleed in 1892, nog maar 51 jaar oud. Het huis aan de Lange Mare kwam eerst in afwachting van de verdeling van de nalatenschap op naam te staan van zijn weduwe en werd later toebedeeld aan zijn oudste zoon, Johannes III.

 

Johannes III, die pas op hoge leeftijd trouwde toen hij niet meer in Leiden woonde, nam na het overlijden van zijn vader de leiding van de apotheek over.

 

Dirk Jan van Driesum en zijn familie

 

In 1901 verkocht Johannes III het pand aan de in 1869 in Leeuwarden geboren apotheker Dirk Jan van Driesum, die kort daarvoor in Amsterdam getrouwd was met Josephine Jeannette Herbschleb.

Hij droeg ook het recht over om daar een apothekerspraktijk uit te oefenen over aan Van Driesum.

Bij de advertentie hieronder (afkomstig uit de Staatscourant) moet worden aangetekend dat Lange Mare 110 tot 1933 het huisnummer 76 had.

 

 

Van Driesum en zijn vrouw kregen in de jaren 1903-1907 twee dochters en een zoon.

De vrouw van Van Driesum overleed in 1914. Zelf overleed hij in 1938.

 

Na het overlijden van Van Driesum stond het pand eerst op naam van de drie kinderen van Van Driesum. Na de boedelscheiding in 1945 kwam het alleen op naam te staan van zijn oudste dochter Wijtsche Jans van Driesum. Zij was getrouwd met Eduard Jacob Spier, die zowel een juridische als een farmaceutische opleiding had gevolgd.

 

Spier overleed in 1954. De apotheek werd voortgezet onder leiding van andere apothekers. De weduwe Spier-van Driesum bleef in het woongedeelte van het pand wonen, met de ingang aan de Van der Werfstraat.

 

De sluiting van de apotheek

 

Per 1 juli 1974 werd de apotheek gesloten. Volgens een artikel in het Leidsch Dagblad van 15 mei 1974 paste dat in een ontwikkeling: bijna alle apotheken in Leiden stonden in de binnenstad, terwijl er inmiddels veel meer mensen in de buitenwijken woonden. Bovendien was het voor kleine apotheken moeilijk om het hoofd boven water te houden.

 

 

De krant schreef verder dat nog niet bekend was wat er met het historische pand aan de Mare zou gebeuren.

Mevrouw Spier-van Driesum verkocht Lange Mare 110 in 1977 aan C.D. (Dick) Witteveld, die er daarna ging wonen. Sinds eind 2025 is het pand eigendom van de Stichting Diogenes Leiden.

 

De Marendorpse Achtergracht gedempt

 

Lange Mare 110 stond van oudsher met één zijmuur op de walkant van de Marendorpse Achtergracht. Het riool mondde zoals destijds gebruikelijk uit in de gracht. In 1860 besloot het gemeentebestuur die gracht tegelijk met de Voldersgracht te laten dempen. De demping vond plaats in 1861.

 

Op het kaartje hieronder wordt Lange Mare 110 aangegeven met het perceelnummer 1197. Het laat een oplossing zien waarbij steeds drie tot vijf panden op een diepe beerput worden aangesloten. Een voordeel daarvan zou kunnen zijn dat het bezinksel als meststof zou kunnen worden verkocht.

 

 

Omdat ingeschat werd dat de verkoop als mest niet rendabel zou zijn, werd gekozen voor een andere variant: een hoofdriool waarop de meeste huizen rechtstreeks werden aangesloten. Aan alle eigenaren die hiermee te maken zouden krijgen werd een reactie gevraagd. Een grote meerderheid, waaronder (de eerste) J.A. van de Laar, was het eens met het plan.

 

 

In 1879 besloot de gemeenteraad met 10 tegen 9 stemmen om de naam van de gedempte Marendorpse Achtergracht te veranderen in Van der Werfstraat. Tegenstemmers vonden dat de vroegere burgemeester Van der Werf een betere straat verdiende.

 

Jan Wolkers op de zolderkamer aan de Mare

 

De schilder, beeldhouwer en schrijver Jan Wolkers heeft in de Tweede Wereldoorlog een tijdlang op de voorste zolderkamer van Lange Mare 110 gewoond.

 

Wolkers had in de herfst van 1943, vlak voor zijn achttiende verjaardag, thuis in Oegstgeest een oproep gekregen voor de Arbeitseinsatz. Onno Blom schrijft in zijn Wolkers-biografie ‘Het litteken van de dood’ dat Jan toen in de blauwe tram naar Leiden stapte. “Met zijn schildersspullen onder de ene arm en zijn koffertje onder de andere ging Jan zijn vrijheid tegemoet. Hij had een zolderkamertje in Leiden gevonden, dat hij kon huren voor een rijksdaalder in de maand. Lange Mare 110. Midden in de stad, met uitzicht op het dak van de Hartebrugkerk, die door de Leidenaren ‘koeliekerk’ wordt genoemd omdat op het timpaan van de kerk staat te lezen: ‘Hic domus dei est et porta coeli’. Hier is het huis van God en de poort naar de hemel.”

 

Jan Wolkers verdiende geld door ’s morgens lampenkappen met historische voorstellingen te beschilderen in een atelier aan de Boerhaavelaan. In de middagen oefende hij in het tekenen en schilderen bij Ars aan de Pieterskerkgracht. Hij was daar na een tijdje de enige leerling. Later kreeg hij zelfs de sleutel.

In zijn Leidse tijd is Wolkers nooit opgepakt. Zijn begeleider bij Ars was lid van de NSB en de WA, maar had kennelijk sympathie voor hem.

 

Het verblijf van Jan Wolkers in Leiden duurde ruim een jaar. In de hongerwinter ging hij terug naar Oegstgeest. Onno Blom schrijft daarover: “Omdat Jan in de stad geen kruimel eten meer kon krijgen, zag hij zich gedwongen terug te keren naar huis. Hij zegde de huur op van zijn kamertje aan de Mare. Jan vroeg hun groenteman of hij hem wilde helpen verhuizen. Dus werden al zijn schilderijen en tekeningen op de kar van de groenteman geladen, met zijn schonkige vale schimmel ervoor. Ze reden het bruggetje over de Lange Mare voor het huis over en schoven voor de Hartebrugkerk langs de Haarlemmerstraat op. Toen Jan het raam van zijn Leidse zolderkamertje zag verdwijnen had hij het gevoel dat het definitief gedaan was met zijn vrijheid.”

 

In Wolkers’ eerste roman Kort Amerikaans uit 1962 liet hij de hoofdpersoon Eric van Poelgeest grotendeels hetzelfde beleven als hijzelf in zijn oorlogsjaar in Leiden. Eric schilderde ook bij Ars en hij had dezelfde kamer: “Door de Donkersteeg liep hij naar de Mare, waar in het huis op de hoek van de eerste zijstraat zijn zolderkamer was.”

 

In 2006 maakte de striptekenaar Dick Matena een geïllustreerde versie van Kort Amerikaans met de volledige tekst van Jan Wolkers. Ook Lange Mare 110 is afgebeeld.